Stad
...is altijd mijn ultieme thuis geweest.
En dat is het nog steeds. Ik groeide op in een mini-dorpje zonder fatsoenlijk openbaar vervoer, en vanaf het eerste moment dat ik in Amsterdam was geweest (dat was al vroeg, want mijn tante was er huisarts en woonde aan het Oosterpark op een flatje) wist ik: daar moet ik zijn. Ik fantaseerde mijn hele jeugd lang over wonen tussen de mensen, trams, bussen, parken, pleinen en winkels. Op een dag zou mijn leven beginnen, en dan zou ik elke dag wakker worden in een snoepwinkel vol mogelijkheden, ik verheugde me ka-pot.
Op mijn zeventiende haalde ik mijn gymnasium-diploma en verhuisde direct naar Utrecht. Amsterdam vond ik bij nader inzien toch wel heul ver weg van het drie-provinciën-punt (Brabant/Gelderland/Limburg) waar ik was opgegroeid, bovendien kende ik al heel wat mensen die in Utrecht waren gaan studeren. Vanaf dag één was het love on first sight. Ik geniet nog elke dag van het feit dat ik woon op een plek waar altijd iets gebeurt, waar alles wat ik wil binnen handbereik is, en ik binnen tien minuten in de trein naar overal zit. Ik hou van de stad, ik pas hier precies, en ik heb ongelofelijk veel geluk met een mooi groot appartement met uitzicht op de bomen van Park Transwijk.
En toch, de laatste tijd begint er iets te knagen. Niet dat ik terug naar een dorp zou willen - zo ver zal het waarschijnlijk nooit komen -, maar er is stille ergernis die langzaam groeit. Kleine dingen die zich uitrekken tot grote dingen.
Neem festivals. Ik heb altijd gezegd: als je geen geluidsoverlast wil, dan moet je niet in een stad gaan wonen. Sinds ik een kind heb denk ik daar anders over. Samenleven is compromissen sluiten, en zorgen dat de boel voor iedereen leefbaar is. Toen we hier 13 jaar geleden kwamen wonen was er twee keer per jaar een groot festival in onze voortuin (het park), waar je dan een avond last van had. Als in: je kan dan niet thuis slapen, want we wonen praktisch OP het festivalterrein van Park Transwijk. Maar twee nachten per jaar uit logeren gaan is prima te overzien.
Na corona is de gemeente gaan strooien met vergunningen. Niet alleen kwamen er een hele hoop kleine en grote festivals bij, maar ook de bestaande festivals kregen toestemming om van een dag uit te groeien naar drie dagen. De UIT-dagen voor studenten groeiden van een avondje uit tot een tiendaagse herrie-marathon in onze voortuin.
En er kwamen een hoop evenemententerreinen bij in de omgeving. Strijkviertel, Beton-T, allemaal mooie locaties met eigen programmering, waar ik zelf soms ook met veel plezier heen ga. Ik gun iedereen z’n feestje, en feest zelf graag mee.
Maar deze zomer zijn we niet op vakantie gegaan, en ergens in mij is iets geknakt. Dat klinkt heftig, en dat is het niet hoor, maar het lukt me steeds minder goed om de herrie te relativeren. Deze zomer is er iedere week op donderdag, vrijdag en zaterdag wel ergens een festival in de buurt, waardoor er gedreun klinkt tot minimaal elf uur ‘s avonds. Mijn dochter kan er niet van slapen, en vraagt steeds vaker waarom we wonen op een plek waar altijd lawaai is als ze naar bed moet. Vroeger zei ik: we wonen in de stad, dit hoort er nou eenmaal bij. Maar nu denk ik: hoort het er echt bij?
Politiek-nerd als ik ben, ben ik natuurlijk in de vergunningverstrekking gedoken. Ik zie dat de festivals binnen de stadsgrenzen door de gemeente worden toegestaan (zelfs: binnengehaald en toegejuicht) omdat ze een belangrijke “functie voor de stad” zouden hebben. Horeca en andere bedrijven zouden ervan profiteren, de stad zelf zou erdoor groeien in aanzien.
Wat ik voor mijn neus zie gebeuren is echter totaal anders. De festivals hier in het park en op Strijkviertel zijn inmiddels zo groot dat mensen van heinde en verre met het openbaar vervoer naar Utrecht Centraal komen, om zich met pendelbussen naar het festivalterrein te laten rijden. Ze mogen vervolgens het terrein niet meer af, want als ze buiten het festival bij lokale horeca zouden gaan eten, dan maken de foodstands op het festivalterrein te weinig winst. Het gevolg: mensen komen alleen nog voor het festival, zien of doen verder niets in de stad, omwonenden hebben vooral overlast. Ik zou er bijna zo’n bejaarde van worden die bij elke gemeentelijke inspraakavond luidkeels protest komt aantekenen, maar ain’t nobody got time for that.
Een ander probleem vind ik dat het park steeds langer wordt afgesloten voor publiek en bewoners voor en na de festivals, om op- en af te bouwen. Een voorbeeld: voor het driedaagse festival Central Park is het park bijna een maand dicht geweest. En dat terwijl Park Transwijk in Kanaleneiland ligt, een wijk waar de meeste mensen in hoogbouw wonen, zonder tuin. In de zomer zit het park elke dag vol met hele families die er komen chillen, barbecuen, voetballen, spelen of verjaardagen vieren. Het park is echt een stadstuin, en ik ken weinig parken die die functie zo letterlijk invullen als Park Transwijk. Als dan juist in de zomer het park bijna de helft van de tijd afgesloten is, dan ontneemt de gemeente de bewoners iets, in plaats van dat ons iets gegeven zou worden door de festivals.
Het is erg om te zeggen, maar ik voel dat ik langzaam mijn geduld verlies. Verander ik langzaam maar zeker in een intolerante, klagende Gerda? Of zijn er meer mensen die dit ervaren? Let me know!

Hoe denkt de lokale politiek hierover? Er zijn volgend jaar gemeenteraadsverkiezingen. Dit is een mooi lokaal onderwerp dat kan helpen om je stem te bepalen. Mocht je meer energie hebben: misschien is er nog net tijd om de lokale verkiezingsprogramma’s van politieke partijen te beïnvloeden.
Hier ook hoor. Flevopark ook de helft van de zomer befestivald met pendelbusverhuur heen en lam, kotsend en vernielend terug de woonwijk door. Veelal jonge Engelsen. We wonen er net ver genoeg vandaan om de herrie niet op een irritant niveau te ervaren maar je zal er vlak naast wonen. Het is een politiek ding. Je kunt namelijk ook gewoon besluiten om het bij 1 ‘festival’ of festiviteit te laten…… De stedelingen (in mijn geval Amsterdmmers) hebben het park harder nodig inderdaad.