Revalideren
...kun je leren. Schijnt.
Het is nu zo lang geleden dat ik mijn kruisband, binnenste knieband en meniscus van mijn rechterknie in één domme, onbehouden beweging kapot knakte, dat ik elke keer wanneer iemand ernaar vraagt op mijn vingers de maanden moet tellen. 13 september gebeurde het. Vrijdag de dertiende, zoals mijn dochter direct bij thuiskomst opmerkte. Bijna een half jaar geleden. Toen ik met een kapotte knie thuiskwam kon ik er niet op staan, maar zes maanden later ben ik nog altijd niet verder dan dat ik korte stukjes kan lopen. Strekken kan ik ‘m niet, buigen kan ik ‘m niet, belasten gaat met mate, en elke dag is er pijn.
Daar hadden ze me voor gewaarschuwd.
Maar ik voelde in die eerste weken alleen maar wilskracht. Ik ben gewend te vechten, en dat gaan we nu ook doen. Ik stortte me vol op de revalidatie. Drie, vier, vijf keer per week naar de fysio. Alles doen om de zware operatie die volgde zo goed mogelijk in te gaan. Daarna: doorbijten. Wekenlang niet slapen van de pijn, misselijk van de pijn, morfine en oxycodon afbouwen, tanden op elkaar, en maar naar die fysio. Beuken, beuken, beuken. Ik kreeg overal steun en bewondering. Goh, wat ben je krachtig. Dankjewel. Je bent een inspiratie voor mijn eigen revalidatieproces. Te veel eer. Want ik wist dat de omslag zomaar kon komen.
Toen, weken na de operatie, het nieuwe jaar inmiddels aangebroken, stagneerde de vooruitgang. Belasten ging steeds beter, maar de pijn bleef, en strekken en buigen ging niet. Mijn fysio en ik besloten alles op alles te zetten. Elke keer ging ze met haar volle gewicht op mijn knie liggen, we maakten grappen naar elkaar dat het wegpuffen van weeën makkelijker is dan het relativeren van de pijn die een geforceerd gewricht oplevert. Maar ik wilde zo graag die knie weer strekken.
Plotseling verschenen er in mijn dromen levendige herinneringen aan mijn jeugd, waarin ik fanatiek ballet danste en turnde. Ik was zo lenig dat ik moeiteloos mijn lichaam in elk mogelijke positie kon brengen, en mijn hersenen, creativiteit en motoriek waren zo naadloos op elkaar aangesloten dat mijn lichaam uitdrukking kon geven aan al mijn gevoelens en gedachtes. In mijn dromen vlieg ik door de balletstudio. Als ik wakker word verbijt ik de pijn die het kost om mijn knie na urenlang liggen te kunnen buigen om uit bed te komen.
Misschien krijg ik dat lichaam nooit meer terug.
En is het niet een enorm privilege om zo’n moeiteloos bewegend apparaat te hebben? Rouw ik niet omdat ik nu pas besef wat ik altijd gehad heb, en hoe achteloos ik het voor lief heb genomen?
Vorige winter schaatste ik nog met Rudi, leerde ik haar hoe ze pootje over kon oefenen. Deze winter kijk ik vanaf de zijlijn toe, met een bekertje koffie, hoe ze in een groepje andere kinderen les krijgt van een lieve en getalenteerde student. Het is oké. Maar ik ben het niet. In mijn dromen vlieg ik over de bevroren vennen achter mijn vader aan, over het gitzwarte ijs dat kraakt en ploengt (hoe anders moet je het zingen van ijs omschrijven?), met mijn eerste noren, die lage met gestreepte veters van het merk Zandstra. Een hand op mijn rug, de ander langs me zwaaiend, turend naar scheuren die ik moet ontwijken.
Zal ik ooit nog schaatsen?
In de hoop dat het iets verbetert heeft de neurochirurg (bless his heart, hij is een meester in zijn vak, mijn knie is niet zijn schuld, alles behalve zelfs) een nieuwe operatie ingepland, om te kijken of er weefsel groeit in mijn knie dat er niet hoort, in de hoop dat hij het weg kan halen en ruimte kan creëren om te bewegen. Strekken en buigen. Meer hoef ik niet, maar één domme beweging in september 2024 heeft me geleerd dat strekken en buigen haast magische concepten zijn, waarvan niemand de exacte formule kent. In mijn groeiende wanhoop is 11 april een datum geworden waar ik naar uitkijk. Nooit gedacht uit te kijken naar een operatie, but here we are.
En ondertussen sleur ik mezelf naar de fysio. Niet langer met de wilskracht en de “inspirerende vastberadenheid” die men eerder in mij zag. We trainen niet langer om vooruit te gaan, alleen nog om niet achteruit te gaan. Elke keer dat ik verstek laat gaan omdat de zin van het trainen me ontgaat, word ik met mijn neus op de feiten gedrukt: ik heb meer pijn, ik loop als een oude man met versleten knieën, ik slaap slechter. Ik moet stug volhouden, niet langer om terug te komen waar ik ooit was, maar om niet dieper af te dalen in een put van lamlendigheid, verdriet, en wanhoop. En vreemd genoeg reikt mijn wilskracht en mijn doorzettingsvermogen blijkbaar niet ver genoeg om dat voor ogen te houden. Het lukt me niet om ook maar een begin te maken aan een afscheid van het lichaam dat ik had, van ambities en wensen die ik nog had. Skieën, dansen, klimmen, schaatsen, rennen: ik deed het ooit. En misschien dat er nog iets terug te winnen valt. Maar de onzekerheid knaagt zich nu al zes maanden een weg door mijn ingewanden, en zes maanden zijn lang.
Nog anderhalve maand tot aan de operatie. En daarna nog zeker een jaar revalideren. Ik mag nu even stilstaan en huilen, maar ik moet snel op zoek naar een nieuwe portie wilskracht. Ik ben al 38, maar ik ben pas 38. Ik wil nog zo veel, ik wil nog geen afscheid nemen van wie ik was.

Hier op m’n 43ste een bobbel in mn borst die er niet hoorde. Ook zulk verraad. Je geeft woorden aan twijfel die ik zelf nog niet gevonden had. Dank je wel daarvoor!